4 minuten

Tien vragen over geldschepping

1. Wat is geld?

Geld omvat zowel chartaal geld als banktegoeden. De precieze definitie van geld bepaalt welke banktegoeden meetellen bij de geldhoeveelheid, variërend van alleen direct opvraagbare tot en met tegoeden met een looptijd van 2 jaar.  

2. Wat is geldschepping?

Geldschepping betekent dat de hoeveelheid geld in handen van het publiek - particulieren, ondernemingen en overheid – toeneemt; banken horen, als geldscheppende instellingen, niet bij het publiek. Geld “in de kluis” van een bank telt dus niet mee bij de geldhoeveelheid.

3. Wat zijn de bronnen van geldschepping?

Kredietverlening door banken is de belangrijkste bron van geldschepping, maar niet de enige: zo kan het zijn dat consumenten hun geld dat vrij komt van een langere termijn spaardeposito overboeken naar hun betaalrekening, ook dan neemt de geldhoeveelheid toe. Het tegenovergestelde is geldvernietiging; dit vindt bijvoorbeeld plaats als een consument aflost op een eerder bij de bank aangegane lening.

4. Waarom is de geldschepping zo belangrijk?

Het is vooral belangrijk om de hoeveelheid geld in omloop goed te controleren. Als de toename van de maatschappelijke geldhoeveelheid de groei van de productie overtreft, is de kans groot dat geld te veel in waarde daalt: er is dan veel geld ten opzichte van de hoeveelheid goederen waardoor de waarde van geld afneemt; dat verschijnsel noemt met inflatie. Te weinig geld in omloop kan dan de economische groei doen remmen. Dan dreigt mogelijk het omgekeerd: een waardestijging van het geld, oftewel deflatie. Sommige economen zien momenteel grote deflatierisico’s in het eurogebied; dat zou er toe kunnen leiden dat mensen hun aankopen uitstellen (omdat producten naar verwachting nog verder in prijs dalen) en dat schulden moeilijker te dragen zijn omdat lonen dalen maar schulden niet.

5. Kunnen banken echt geld maken?

Ja, banken zijn zogenaamde geldscheppende instellingen. Dit doen ze bijvoorbeeld door het verstrekken van een lening die leidt tot het ontstaan van een banktegoed. Omdat dit een maatschappelijk belangrijke functie is, moeten banken hier een vergunning voor hebben en staan ze onder toezicht van De Nederlandsche Bank en de Europese Centrale Bank.

6. Kunnen banken deze geldschepping niet heel gemakkelijk gebruiken voor hun eigen gewin?

Een bank vergroot zijn bezit niet door geld te scheppen. Het geld dat een bank schept is namelijk geen bezit van die bank, maar een schuld. Als de bank een krediet verleent, krijgt de bank een vordering op de kredietnemer. Deze persoon of instelling moet het krediet in de toekomst weer aflossen. De bank ‘bezit’ dus eigenlijk een lening. In ruil hiervoor krijgt de kredietnemer de beschikking over geld om bijvoorbeeld een huis mee te kopen. Dit nieuw gecreëerde geld is een claim op de bank. Als de kredietnemer zijn tegoed opneemt, moet de bank hem dat uitbetalen.

7. Als geldschepping zo’n belangrijke maatschappelijke betekenis heeft, waarom doet de overheid dit dan niet zelf?

Het feit dat geldschepping maatschappelijk gezien erg belangrijk is, betekent niet zonder meer dat de overheid deze taak zou moeten uitvoeren. Veel maatschappelijk relevante taken (van voedselvoorziening tot zorg) zijn in handen van private partijen. Dit wordt bovendien strikt gecontroleerd door de centrale banken. Deze zijn hier niet onfeilbaar, zo is onder andere bij de kredietcrisis gebleken, maar dat wil niet zeggen dat de overheid of de kapitaalmarkt het beter zou doen. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat staatseigendom van banken samengaat met relatief veel economische inefficiënties en dus kosten voor de samenleving.

8. Maar wie controleert de geldhoeveelheid, kunnen banken dan niet onbeperkt geld scheppen?

Nee. Banken moeten aan eisen voldoen die beperkingen opleggen aan de kredietverlening en geldschepping. Zo moeten allereerst tegenover banktegoeden reserves en liquide middelen worden aangehouden, zodat rekeninghouders nooit voor een lege geldautomaat komen te staan. Ten tweede moet een bank naast banktegoeden ook aan andere verplichtingen voldoen, zoals het hebben van voldoende eigen vermogen. Dit eigen vermogen dient als buffer voor het opvangen van eventuele kredietverliezen, zodat de waarde van de banktegoeden niet aangetast wordt. Als derde waarborg analyseert een bank natuurlijk het risico van ieder nieuw krediet dat zij verstrekt. Op dit risicobeheer houdt de centrale bank toezicht. En ten vierde heeft de centrale bank de bevoegdheid om de kredietverstrekking en daarmee de geldschepping af te remmen; indirect door de rente te verhogen of direct een bank een maatregel op te leggen met als doel het financiële stelsel stabiel te houden.

Er zijn dus meerdere manieren waarop de kredietverstrekking en geldschepping door banken wordt ingeperkt.

9. Dus we moeten banken de ‘geldschep’ niet afpakken, zodat we dat kunnen verdelen onder het publiek?

Zoals hierboven gesteld schept een bank geen bezit voor hem zelf maar een schuld. Bovendien is dit proces aan hele strikte regels gebonden. Ervaringen leren dat dit proces niet beter of eerlijker verloopt als het in overheidshanden is. Het antwoord is dus nee, er ligt geen gemakkelijke pot met geld door geldschepping uit particuliere handen te geven.

10. Meer weten of meer vragen?