Inleiding Chris Buijink bij gesprek beloning financiële sector in Tweede Kamer

28 maart 2018
Inleiding Chris Buijink (voorzitter Nederlandse Vereniging van Banken) bij Rondetafelgesprek beloning financiële sector in de Tweede Kamer, 28 maart 2017

Gesproken woord geldt

Een goede relatie met de samenleving is voor de bankensector heel belangrijk en essentieel voor het versterken van wederzijds vertrouwen. Daar zetten we al jaren stevig op in.

Het aanvankelijke voornemen van ING om de beloning van haar bestuursvoorzitter te verhogen, heeft politiek en in de samenleving voor ophef gezorgd. Ik begrijp dat.

Ik betreur de gebeurtenissen van de afgelopen weken zeer. Wat bij één bank gebeurt, heeft effect op hoe tegen banken in het algemeen wordt aangekeken.

Dat een negatief beeld van de sector overheerst, doet geen recht aan alle inspanningen die wij met elkaar – politiek, toezichthouders en zeker ook de banken en hun medewerkers – hebben verricht om banken stabieler, transparanter en veiliger te maken.

De commotie die is ontstaan, overschaduwt de stappen die door de sector zijn gezet en zet ons terug in de tijd. En daar baal ik van.

Alle stappen die de afgelopen jaren zijn gezet bij het voltooien van de Europese Bankenunie rond toezicht, buffers, bail-in en het door de banken zelf te vullen resolutiefonds zijn er op gericht om belastingbetalers bij eventuele problemen buiten schot te houden.

Ook voor banken moet gelden: zelf verantwoordelijk voor succes, zelf verantwoordelijk voor falen.

Banken moeten zich, vanwege het maatschappelijk belang van hun taken, natuurlijk bewust zijn van de impact van hun beslissingen op de samenleving.

Als het gaat om beloning voeren banken een eigen beleid, binnen de kaders van de wet en de Code Banken. Dat leidt tot diversiteit tussen banken. ING zegt de internationale context in het aanvankelijke voornemen sterk te hebben meegewogen. Andere banken maken andere keuzes die zij vinden passen bij hún instelling, ten aanzien van het vaste salaris of bij het al dan niet toekennen van variabele beloning. Het is dus zeker geen koekoek-éénzang.

De Code Banken is helder: ‘Het beloningsbeleid wordt gekenmerkt door evenwichtige verhoudingen, zowel intern als extern, waarbij de verwachtingen van de verschillende stakeholders en het maatschappelijk draagvlak in ogenschouw worden genomen.’

Ik vind het besluit van ING het salarisvoorstel in te trekken in dat licht begrijpelijk en verstandig.

De afgelopen weken hebben het belang aangetoond van het zorgvuldig meewegen van de verwachtingen van stakeholders en van een gedegen invulling van de maatschappelijke toets uit de Code.

Aanvullende wetgeving hier is onnodig. Natuurlijk gaan wij als sector met elkaar in gesprek over lessen die getrokken kunnen worden. Natuurlijk gaan wij daarbij goed naar de werking en invulling van de Code kijken.

Wij blijven ons onverminderd inzetten voor het vertrouwen tussen banken, politiek en samenleving. De beloningsdiscussie blijft daarin een gevoelig aspect. Ik vind het daarom belangrijk dat banken aanspreekbaar zijn op hun beleid en bereid zijn een goede toelichting te geven op de keuzes die zij maken, zodat hierover een open discussie mogelijk is.

Wat mij betreft zou daarbij vaker de vraag gesteld mogen worden: “Dit zouden we kúnnen doen, maar zouden we het ook moeten wíllen doen?’