Toezicht8
7 minuten

Kapitaal en toezicht

Na de crisis in 2008 was er zowel nationaal als internationaal brede overeenstemming dat de bancaire sector meer dienstbaar en weerbaarder zou moeten worden. Het meer weerbaar maken van de banken raakt diverse pijlers: hogere kapitaalbuffers, voldoende liquiditeit, afwikkeling van een bank bij problemen, versterking van de governance binnen banken, verbetering van het risicomanagement, audit en beloningsbeleid.

Cijfers maart 2017

Kapitaal

Na de crisis in 2008 was er zowel nationaal als internationaal brede overeenstemming dat de bancaire sector meer dienstbaar en weerbaarder zou moeten worden. Het meer weerbaar maken van de banken raakt diverse pijlers: hogere kapitaalbuffers, voldoende liquiditeit, afwikkeling van een bank bij problemen, versterking van de governance binnen banken, verbetering van het risicomanagement, audit en beloningsbeleid.

Kapitaalbuffers

De kapitaalbuffers (aandelenkapitaal en reserves) om onverwachte verliezen te kunnen opvangen zijn aanzienlijk versterkt, zodat banken ook in crisistijd hun rol kunnen blijven vervullen. Om een compleet beeld van de weerbaarheid van banken te krijgen kijken we naar twee ratio’s. De Leverage Ratio (LR) en de Common Equity Tier 1% (CET1%). De LR is een ratio die het eigen vermogen door de totale balans deelt (fguur 1). De LR fungeert als een achtervang: een minimale, niet risico sensitieve, vereiste waar een bank niet onder moet komen. Het minimale percentage dat op dit moment in een Europese wet ter besluit voorligt zal naar verwachting voor Europese banken in de komende jaren op 3% komen, met een iets hoger percentage voor systeem relevante banken (zoals ING Bank). De LR houdt geen rekening met het risicoprofel van de balans. Om banken onderling goed te kunnen vergelijken moet men ook meenemen hoe risicovol de balansen van de banken zijn. Immers, een bank die meer risico neemt, zou meer kapitaal als buffer moeten aanhouden. De Core Tier 1 Equity ratio (CET1%) is het „rapportcijfer“ dat de robuustheid van een bank weergeeft, op basis van de hoeveelheid eigen vermogen tegenover het risico dat een bank loopt (fguur 2). Uitgedrukt in CET1% zijn de Nederlandse banken sinds 2007 gemiddeld minstens twee keer zo sterk geworden. Alhoewel de Nederlandse banken comfortabel boven de minimale Europese eisen zitten, groeien de CET1 ratios nog steeds.

Kapitaal en toezicht figuur 1
Kapitaal en toezicht figuur 2

Om deze ratio te berekenen worden eerst alle assets (leningen en ander risico dragende producten) uitgedrukt in een voor risico gecorrigeerde eenheid: ‘risk weighted assets’ (RWA). Als de assets risicovoller zijn, zal dit getal hoger zijn. Het eigen vermogen (kernkapitaal) wordt door deze voor risico gecorrigeerde balanseenheden gedeeld. Dit voor risico gecorrigeerd ‘rapportcijfer’ geeft aan hoe sterk de weerbaarheid van de bank is en maakt banken onderling vergelijkbaar. Uit de toegangstest voor deelname aan de Bankenunie (Comprehensive Assessment) bleek in oktober 2014 dat de zeven onderzochte Nederlandse banken (ING Bank, Rabobank, ABN AMRO Bank N.V., SNS Bank, BNG Bank, Nederlandse Waterschapsbank en RBS N.V.) goed zijn gekapitaliseerd. Ook beschikken zij bij sterk tegenvallende economische ontwikkelingen over voldoende kapitaal.

Additionele kapitaal buffers

Bovenop de minimale kapitaal eis in de vorm van Core Equity Tier 1 ratio (CET1%) zijn er sinds de crisis een aantal kapitaalbuffers in het leven geroepen. De buffers hebben ten doel de banken nog robuuster te maken. Er is een buffer om extra bescherming te bieden tegen systeem risico (Systemic Risk Buffer), een andere om in goede tijden extra kapitaal vast te houden zodat dit extra kapitaal als eerste verdediging in slechte tijden gebruikt kan worden (Countercyclical Buffer), en de eis dat banken eerst hogere buffers moesten aanhouden voordat aandeelhouders en bestuurders beloond konden worden (Conservation Buffer) in de vorm van dividend of bonussen. Op dit moment wordt op Europees niveau nog aan verdere aanscherping gewerkt.

Voldoende liquiditeit

Als de markten onverhoopt ‘op slot’ zitten, moeten banken in stress situaties over genoeg liquide middelen beschikken. Nederlandse banken beschikken in ruimte mate over liquide middelen. Dit valt af te lezen uit het verloop van de Liquidity Coverage Ratio (LCR). Deze maatstaf meet in hoeverre er voldoende bezittingen zijn om aan korte termijn verplichtingen te voldoen in onverhoopte periode van stress. Sinds 1 oktober 2015 moeten banken in de EU meer liquide bezittingen hebben (zoals cash of obligaties met een looptijd van maximaal 30 dagen) dan kortlopende verplichtingen. Dit houdt in dat de LCR hoger dan 100% moet zijn. Vanaf eind 2015 zijn de LCR’s bij de grootste Nederlandse banken comfortabel boven de 100%.

Naast de LCR, is er ook een eis bijgekomen die bijdraagt aan een stabielere funding van een bank. Als een bank veel leningen met een lange looptijd op de balans heeft staan (bijv. hypotheek leningen) dan moet de bank het geld om die leningen te verstrekken ook aantrekken met een langere looptijd, dus niet met leningen met zeer korte looptijden, die telkens vernieuwd moeten worden. De gedachte is dat in tijden van crisis, het telkens vernieuwen van geld dat de bank zelf leent moeilijker wordt. De eis om een stabielere funding aan te houden noemt men de Net Stable Funding Ratio (NSFR). Alhoewel deze regels de komende jaren in Europa finaal zullen worden, hebben de Nederlandse banken zich al hierop voorbereid en zullen de banken comfortabel aan deze eis voldoen.

Nieuwe Bazel regels

Als reactie op de 2007 crisis heeft het Bazel Comité, waarin nationale toezichthouders vertegenwoordigd zijn, de kapitaal- en liquiditeitsregels sterk aangescherpt: substantieel hogere buffers van betere kwaliteit. Toezicht is verscherpt en de reikwijdte van de regels zijn ook verbreed. Tot slot zijn er strenge regels voor falende banken opgesteld om grote marktverstoringen te voorkomen en de belastingbetalers en spaarders te ontzien.

Alhoewel de nieuwe Amerikaanse president Trump aangegeven heeft kritisch te kijken naar alle internationale afspraken, zo ook naar de conceptafspraken van het Bazel Comité, zal het Bazel Comité naar verwachting in de loop van 2017 de laatste stap afronden (Bazel 3.5); een stap met mogelijk zeer grote gevolgen: de manier waarop risico gemeten dient te worden wordt mogelijk sterk versimpeld, met als resultaat een verlies aan risicosensitiviteit. Vooral Nederlandse hypotheken die zelfs in de crisis jaren goed presteerden, en ook goed gedekte bedrijfsleningen (inclusief projectfinanciering) zullen hierdoor veel hogere kapitaalbeslagen krijgen, terwijl de meer risicovollere leningen nauwelijks geraakt lijken te worden.

Afwikkeling van een bank

Als een individuele bank onverhoopt toch niet kan voort blijven bestaan, moet de bank afgewikkeld kunnen worden, zonder grote marktverstoringen, zonder dat spaarders (tot € 100.000 valt onder het depositogarantiestelsel) hun geld kwijtraken en zonder dat de belastingbetaler moet bijspringen. Het is belangrijk dat de systeemrelevante banken voldoende verlies-absorberend vermogen hebben. Hiermee gaan vreemd vermogen verschaffers een grotere bijdrage leveren aan een afwikkeling van een bank. Er zijn voorstellen gedaan door de Financial Stability Board (FSB) om minimumeisen te stellen aan de totale verliescapaciteit van een bank. Dit vermogen moet op het moment van omvallen nog beschikbaar zijn. Ook zorgt dit vermogen dat de kosten van een eventueel falen kunnen worden afgewenteld op aandeelhouders en crediteuren. Met deze eisen zal het verlies-absorberend kapitaal van de banken worden aangevuld naar minimaal 16% tot 20% van de risico gewogen activa (Deze aanscherping wordt in twee fases ingevoerd namelijk in 2019 en 2022). Op dit moment worden in Brussel Europese wetsvoorstellen besproken die gebaseerd zijn op de FSB aanbevelingen.

Toezicht

Bankenunie

Een belangrijke stap naar het herstel van vertrouwen in de bancaire sector is het streven naar een BankenUnie. Deze unie bestaat uit een fundament dat wordt gevormd door het Single Rule Book, de gemeenschappelijke Europese financiële regelgeving. Daarbovenop staan drie pijlers: het Europese bankentoezicht en een Europees resolutiemechanisme en een gemeenschappelijk Europees Depositogarantiestelsel.

Kapitaal en toezicht figuur 3

Single Supervisory Mechanism (SSM)

  • Verantwoordelijk voor de signifcante banken (vast te stellen op basis van balanstotaal en systeemrelevantie van een bank).
  • Verzekert consistente toepassing van het EU single rule boek.
  • Toegangstest voor de banken.

Het SSM betekent dat er een Europese toezichthouder is. Het prudentiële toezicht over de bancaire sector voor de (systeemrelevante) banken is overgedragen aan de Europese Centrale Bank (ECB). In het nieuwe toezichtstelsel houdt de ECB samen met de nationale toezichthouders toezicht en zijn de regels voor alle banken in het Eurogebied hetzelfde. Het toezicht op alle niet systeemrelevante banken blijft de verantwoordelijkheid van de nationale toezichthouders. De ECB is indirect wel verantwoordelijk voor het toezicht op deze kleinere banken. Indien de ECB dit noodzakelijk vindt, kan zij het toezicht op kleinere banken overnemen van De Nederlandsche Bank (DNB). De volgende banken vallen sinds 4 november 2014 onder het directe toezicht van de ECB: ABN AMRO, Bank Nederlandse Gemeenten, Rabobank, ING Bank, Nederlandse Waterschapsbank, en SNS Bank. Het SSM draagt bij aan de financiële stabiliteit binnen de Eurozone en maakt het voor banken makkelijker om grensoverschrijdend te bankieren.

Single Resolution Mechanism (SRM)

  • Regelt hoe banken in de problemen worden gered of ontmanteld en wie daarvoor betaalt.
  • Rekening in eerste instantie neergelegd bij crediteuren en aandeelhouders van de bank.
  • Banken zetten in de periode 2015 tot en met 2023 een noodfonds op van circa € 55 miljard. De Nederlandse banken hebben in 2016 een bedrag van € 550 miljoen gestort. In totaal hebben de Nederlandse banken ruim € 1 mld bijgedragen – De Nederlandse banken dragen in totaal circa € 4,5 miljard bij aan het Single Resolution Fund.

Met het SRM wordt de onderlinge afhankelijkheid tussen de nationale Staat en de bancaire sector doorgeknipt en is het risico van de belastingbetaler in beginsel verlegd naar de aandeelhouder, crediteuren en de Europese bancaire sector.

Depositogarantiestelsel (DGS)

  • Elk lidstaat moet een depositogarantiestelsel inrichten.
  • In Nederland wordt een fonds opgebouwd
  • Dit fonds bestaat uit 0,8% van alle gedekte deposito’s in Nederland.

Indien een bank failliet gaat is het geld in het DGS beschikbaar voor het spaargeld van rekeninghouders, met een maximum van € 100.000. Tussen begin 2016 en 2024 wordt een fonds opgebouwd met een omvang van circa € 4 miljard.

Autoriteit Financiële Markten (AFM)

Naast het prudentieel toezicht van DNB houdt de AFM toezicht op het gedrag van de financiële onderneming. Dit gedragstoezicht houdt zich bezig met de vraag of de deelnemers aan de financiële markten correct behandeld en juist geïnformeerd worden. De AFM moet beleggers en consumenten beschermen tegen bijvoorbeeld frauderende instellingen of te riskante hypotheken.

Toezichtskosten

Bovenstaande heeft zijn weerslag op de kosten voor het toezicht, die – sinds 2014 – in zijn geheel worden betaald door de sector.

Kapitaal en toezicht figuur 4

Conclusie

Door een sterke toename van het kapitaal en liquiditeit zijn de Nederlandse banken goed in staat om onverwachte klappen op te vangen. Het toezicht op de financiële sector is aangescherpt, verbreed en verdiept in de afgelopen jaren, zowel nationaal als Europees.