Wetenschappelijke terugblik op akkoorden over Joodse oorlogstegoeden

05 juli 2017
Onlangs verdedigde Christiaan Ruppert aan de Vrije Universiteit Amsterdam met succes zijn proefschrift over de Joodse tegoeden rond 2000. De toen gesloten akkoorden betroffen de verzekeraars, de overheid, de banken en de beurs.

Het overleg inzake de banken werd gevoerd door de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en het overleg inzake de beurs werd nadat dit met de Vereniging voor den Effectenhandel en de AEX was vastgelopen door de NVB overgenomen.

Wanneer in 1997 de kwestie rondom Joodse oorlogstegoeden opnieuw in de aandacht komt, reageren niet alle Nederlandse partijen coöperatief. De banken en vooral de beurs zijn afhoudend, maar gaan mede door een boycotdreiging in de VS uiteindelijk overstag. Tot de dag van vandaag kijken vertegenwoordigers van deze partijen met gemengde gevoelens op de akkoorden terug. De onderhandelingen met de overheid en met verzekeraars verlopen soepeler. Deze partijen reageren met begrip op de eisen van de Joodse gemeenschap. Het akkoord komt betrekkelijk gemakkelijk tot stand en onder andere minister Zalm kijkt er met trots op terug. 

Dit alles concludeert Ruppert in zijn proefschrift. Met de akkoorden in 2000 ontvangt de Joodse gemeenschap spijtbetuigingen, restitutie en compensatie van de Nederlandse regering en de financiële wereld. Uitvloeisel hiervan is dat de stichting Maror 764 miljoen gulden kan uitkeren aan de Joodse gemeenschap in Nederland. Christiaan Ruppert (1954) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij is op dit moment secretaris van de commissie-De Winter (onderzoek naar geweld in de jeugdzorg, 1945-heden).

Hein Blocks, destijds als directeur van de Nederlandse Vereniging van Banken nauw betrokken bij de besprekingen tussen de banken enerzijds en het Centraal Joods Overleg (CJO) en Platform Israel (PI) anderzijds:
‘De insteek bij de gesprekken bij het bankenoverleg was om door gezamenlijk onderzoek de financiële omvang van een achttal onderwerpen zo goed mogelijk vast te stellen en deze vervolgens met de overeengekomen oprenting (omrekening naar hedendaagse waarden) te vergoeden. Daarin zijn partijen goed en redelijk snel geslaagd. CJO en PI wilden de aldus bereikte overeenkomst echter pas tekenen nadat ook een akkoord over de beurs zou zijn afgesloten. Het beursoverleg, dat de ontbrekende 10% bij de 90%-schikkingsvergoeding bij het Effectenrechtsherstel van 1953 betrof, verliep anders. Over de omvang van die ontbrekende 10% was snel overeenstemming, maar de banken waren terughoudend om het hieruit na omrekening resulterende bedrag volledig te betalen omdat in de veertiger jaren van de vorige eeuw de banken minder dan de helft van het beursvolume afhandelden. Mede onder druk van de boycotdreiging in de VS hebben zij er uiteindelijk toch mee ingestemd om het aandeel van de niet-bancaire beurspartijen over te nemen en zo het totale manco te restitueren.

Terugkijkend overheerst bij mij grote tevredenheid omdat door deze restituties recht is gedaan en deze zwarte bladzijden voor de benadeelden en hun nabestaanden nu –althans in financieel opzicht- definitief konden worden omgeslagen.”