Toezicht
7 juni 2017
5 minuten

'Europees bankentoezicht snel en sterk uit startblokken gekomen.’

Interview met Danièle Nouy, hoofd bankentoezicht bij de Europese Centrale Bank (ECB).

Waar bevindt zich naar uw mening het Europees bankentoezicht momenteel? Hoe belangrijk is het voor de Voorzitter van de Raad van Toezicht om elke deelnemende lidstaat te bezoeken?

Het Europees bankentoezicht is snel en sterk uit de startblokken gekomen. In heel korte tijd hebben we een enorm systeem opgezet dat zich over 19 landen, 26 nationale autoriteiten plus de ECB uitstrekt en dat bijna 6.000 toezichthouders omvat. En het systeem is onmiddellijk operationeel geworden.

Natuurlijk is het Europees bankentoezicht in hoge mate een gezamenlijke inspanning. Hoewel de ECB het regelcentrum van het systeem vormt, is zij niet als enige verantwoordelijk voor het toezicht op alle banken. De ECB is in belangrijke mate afhankelijk van de nationale autoriteiten. De ECB houdt direct toezicht op de 125 grootste bankgroepen. Voor elke grote bankgroep hebben we een gezamenlijk toezichthoudend team (Joint Supervisory Team) dat door ECB-medewerkers wordt geleid en toezichthouders van zowel de ECB als de nationale autoriteiten omvat. Deze teams vormen de hoekstenen van het Europees bankentoezicht. De nationale autoriteiten houden direct toezicht op de overige 3.200 kleinere banken; hier speelt de ECB alleen een ondersteunende rol. Zo ontwikkelen we bijvoorbeeld gemeenschappelijke normen om ervoor te zorgen dat het toezicht op de kleine banken in het hele eurogebied volgens dezelfde hoge kwaliteitsnormen plaatsvindt als bij de grote banken het geval is.

Daarom is het erg belangrijk dat ik alle nationale autoriteiten regelmatig bezoek en nauw contact met hen onderhoud. Het is net als het rijden op een tandem met meerdere zitplaatsen. Door elke autoriteit te bezoeken wil ik ervoor zorgen dat de pedalen en wielen goed werken en dat elke tandemrijder weet welke kant we opgaan.

Recent heeft u in een toespraak gezegd dat “het Europese rulebook niet zo Europees is, en het gelijke speelveld niet zo gelijk is”. Wat kan de ECB doen om een werkelijk Europees rulebook tot stand te brengen en wat zou u tegen lidstaten willen zeggen die hun nationale wetgeving hogere prioriteit geven dan Europese regels?

De Europese wetgeving is inderdaad minder geharmoniseerd dan deze zou moeten zijn, gelet op ons doel van een bankenunie en één Europese bancaire markt. Om een gelijk speelveld voor banken te creëren hebben we in elk land dezelfde regels nodig, en een Europese toezichthouder. De Europese toezichthouder is inmiddels tot stand gekomen, maar de regels voor banken verschillen tot op zekere hoogte nog.

Van onze kant hebben we geholpen een gelijker speelveld wat betreft regelgeving te bereiken door het onderwerp van opties en nationale discretionaire bevoegdheden aan te pakken. De Europese wetgeving bevat diverse opties en nationale discretionaire bevoegdheden die toezichthouders en overheden enige ruimte geven bij de wijze waarop de regels worden toegepast. Hierdoor is het speelveld niet overal gelijk. Daarom zijn we samen met de nationale toezichthouders overeengekomen veel van deze opties en bevoegdheden in het hele eurogebied op geharmoniseerde wijze uit te oefenen. Toch zijn er enkele opties en discretionaire bevoegdheden die onder het mandaat van overheden in plaats van toezichthouders vallen, en deze dienen nog verder te worden geharmoniseerd.

Mijn boodschap aan de beleidsmakers is dat gefragmenteerde regelgeving risicoverhogend werkt en het Europees bankentoezicht complexer en duurder voor banken maakt. Als beleidsmakers de bankenunie en één Europese bancaire markt serieus nemen, dan zouden ze verdere harmonisering van de regels moeten nastreven.

Tekst loopt door onder de foto

Chris Buijink en Danièle Nouy

Danièle Nouy, hoofd bankentoezicht Europese Centrale Bank (ECB) en NVB-voorzitter Chris Buijink

Volgens de meest recente voorstellen in Bazel 3.5 zullen de resultaten van veel interne modellen – in het bijzonder die voor de minder risicovolle portefeuilles – volledig worden opzijgezet door een ondergrens ('output floor') die niet risicogevoelig is. Wat moet Europa naar uw mening doen, indien deze voorstellen worden aangenomen? Moet het haar eigen stappen nemen om de risicogevoeligheid te waarborgen? Kan de gerichte beoordeling van de interne modellen ('targeted review of internal models' – TRIM) een rol spelen bij het handhaven van de risicogevoeligheid?

Risicogevoelige benaderingen hebben zeker hun plaats bij het bepalen van de kapitaalvereisten. En interne modellen zijn een belangrijk instrument voor banken om het risicogewicht voor hun activa te bepalen. In de loop van de tijd zijn deze modellen echter zeer complex geworden. Hierdoor zijn ze gevoelig voor fouten en zelfs manipulatie. Er zijn verschillende manieren om het vertrouwen in de output van interne modellen en in de kapitaalbuffers te herstellen. Eén manier is de door u genoemde 'output floor'. En de 'output floor' zal trouwens worden gebaseerd op een nieuwe, meer risicogevoelige standaardbenadering en deze zal de resultaten van interne modellen niet volledig opzijzetten.

Onze gerichte beoordeling van de interne modellen (TRIM) gaat dezelfde richting uit. Deze beoogt de degelijkheid en geloofwaardigheid van interne modellen te versterken en hun toereikendheid en geschiktheid te bevestigen. De output van interne modellen dient door werkelijke risico's te worden bepaald en niet door modelkeuzes. In het kader van dat doel hebben we recent een gids gepubliceerd die weergeeft hoe we in het toezicht te werk gaan en hoe we de EU-wetgeving over interne modellen interpreteren. Hierdoor ontstaat een consistente aanpak met betrekking tot interne modellen. Ook hebben wij een gemeenschappelijke methode voor TRIM-onderzoeken ter plaatse ingevoerd; in 2017 zullen meer dan 100 van dergelijke onderzoeken plaatsvinden. Hierbij worden interne modellen voor kredietrisico, marktrisico en tegenpartijkredietrisico beoordeeld. We verwachten de TRIM in 2019 af te ronden.

Hoewel de economie in het eurogebied een opleving laat zien, moeten banken omgaan met een laag renteniveau, waardoor hun marges onder druk staan. De Nederlandsche Bank heeft in haar Overzicht Financiële Stabiliteit aangegeven dat de ECB moet evalueren of dit neveneffect van het accommoderende monetair beleid opweegt tegen de effectiviteit ervan in termen van prijsstabiliteit. Bent u het hiermee eens en heeft u dit met President Draghi van de ECB besproken?

Allereerst ben ik een bankentoezichthouder en geen monetair beleidsmaker – ik kan geen commentaar geven op het monetaire beleid van de ECB. Als toezichthouder onderschrijf ik dat de lage rente een grote uitdaging voor banken vormt. Daarom doe ik een beroep op de banken om de duurzaamheid van hun bedrijfsmodellen opnieuw tegen het licht te houden en deze aan de nieuwe omgeving aan te passen. Ze moeten proberen hun kosten te verlagen of nieuwe inkomstenbronnen aan te boren. U kunt er zeker van zijn dat we zeer nauwlettend volgen hoe banken met deze uitdaging omgaan.

Reactie van Otto ter Haar, kapitaalspecialist van de Nederlandse Vereniging van Banken, op het antwoord van Danièle Nouy op de vraag over Bazel 3,5 en de interne risicoweging door banken: 

Door de komst van de ECB als toezichthouders voor de grotere Europese banken zijn de interne modellen juist robuuster geworden. Dit komt door meer met een maat te kunnen meten en interne modellen met elkaar te vergelijken. Ruimte voor eventuele manipulatie zal ook alleen maar kleiner worden door een toename aan checks and balances binnen banken en bij toezichthouders.

De interne modellen benadering is risicogevoelig. Hoe risicovoller een lening is, des te meer kapitaal er opzij gezet dient te worden. De standaard benadering wordt voor de lagere loan to values (LtV’s) wat risicogevoeliger dan het tot nu toe is. Toch, door het mondiale ‘one size fits all’ concept van de standaard benadering- waarbij een Nederlandse hypotheek met een LtV van 80% qua risico gelijk gesteld zou worden aan een Braziliaanse hypotheek met eenzelfde LtV - is geen juiste weergave van de werkelijkheid. Des te meer als je deze portefeuilles vergelijkt op basis van historische verliezen. De ‘output vloer’ zal de risico sensitiviteit vrijwel geheel buitenspel zetten. Dit raakt voornamelijk de minder risicovolle hypotheken in West-Europa.